ontvoogden
werkwoordBetekenis
- ontheffen van het voogdijschap
- een minderjarige vrijstellen van de voogdij
- van vreemde overheersing bevrijden
Vervoeging van ontvoogden
ontvoogdenhele werkwoord — ontvoogddeverleden tijd enkelvoud — ontvoogddenverleden tijd meervoud — ontvoogdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontvoogd | ontvoogdde |
| jij | ontvoogdt | ontvoogdde |
| hij, zij, het | ontvoogdt | ontvoogdde |
| wij | ontvoogden | ontvoogdden |
| jullie | ontvoogden | ontvoogdden |
| zij | ontvoogden | ontvoogdden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontvoogd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontvoogd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontvoogd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontvoogd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontvoogd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontvoogd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontvoogd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontvoogd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontvoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontvoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontvoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontvoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvoogd | gebiedende wijs |
| ontvoogd | verleden tijd, deelwoord |
| ontvoogd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvoogd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvoogd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvoogd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvoogd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvoogd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvoogd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvoogd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvoogd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvoogd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvoogdde | verleden tijd |
| ontvoogde | aanvoegende wijs |
| ontvoogdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontvoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontvoogden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvoogden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontvoogd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontvoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontvoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontvoogd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontvoogden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontvoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontvoogd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontvoogd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontvoogden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van voogd met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontvoogden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontvoogd | voltooid deelwoord | ontvoogden |
| ontvoogdde | verleden tijd | ontvoogden |
| ontvoogdden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontvoogden |
| ontvoogde | aanvoegende wijs | ontvoogden |
| ontvoogdend | onvoltooid deelwoord | ontvoogden |
| ontvoogdende | woordvorm | ontvoogden |
| ontvoogdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontvoogden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvoogden zijn vastgelegd.