dubbelklikken
werkwoordBetekenis
- twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
Vervoeging van dubbelklikken
dubbelklikkenhele werkwoord — dubbelklikteverleden tijd enkelvoud — dubbelkliktenverleden tijd meervoud — gedubbelkliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dubbelklik | dubbelklikte |
| jij | dubbelklikt | dubbelklikte |
| hij, zij, het | dubbelklikt | dubbelklikte |
| wij | dubbelklikken | dubbelklikten |
| jullie | dubbelklikken | dubbelklikten |
| zij | dubbelklikken | dubbelklikten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dubbelklik | gebiedende wijs |
| dubbelklikke | aanvoegende wijs |
| dubbelklikkend | onvoltooid, deelwoord |
| dubbelklikte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedubbelklikt | verleden tijd, deelwoord |
| gedubbelklikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedubbelklikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedubbelklikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedubbelklikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedubbelklikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dubbelklikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedubbelklikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dubbelklikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedubbelklikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dubbelklikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dubbelklikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedubbelklikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dubbel en klikken
Woordfamilie van dubbelklikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dubbelklik | gebiedende wijs | dubbelklikken |
| dubbelklikke | aanvoegende wijs | dubbelklikken |
| dubbelklikkend | onvoltooid deelwoord | dubbelklikken |
| dubbelklikkende | woordvorm | dubbelklikken |
| dubbelklikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dubbelklikken |
| dubbelklikte | verleden tijd | dubbelklikken |
| dubbelklikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelklikken |
| gedubbelklikt | voltooid deelwoord | dubbelklikken |
| gedubbelklikte | woordvorm | dubbelklikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbelklikken zijn vastgelegd.