dubbelchecken
werkwoordBetekenis
- een tweede keer controleren
Vervoeging van dubbelchecken
dubbelcheckenhele werkwoord — dubbelcheckteverleden tijd enkelvoud — dubbelchecktenverleden tijd meervoud — gedubbelchecktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dubbelcheck | dubbelcheckte |
| jij | dubbelcheckt | dubbelcheckte |
| hij, zij, het | dubbelcheckt | dubbelcheckte |
| wij | dubbelchecken | dubbelcheckten |
| jullie | dubbelchecken | dubbelcheckten |
| zij | dubbelchecken | dubbelcheckten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dubbelcheck | gebiedende wijs |
| dubbelchecke | aanvoegende wijs |
| dubbelcheckend | onvoltooid, deelwoord |
| dubbelcheckte | verleden tijd |
| er is gedubbelcheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedubbelcheckt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedubbelcheckt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedubbelcheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedubbelcheckt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedubbelcheckt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedubbelcheckt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedubbelcheckt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedubbelcheckt | verleden tijd, deelwoord |
| gedubbelcheckt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedubbelcheckt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedubbelcheckt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedubbelcheckt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedubbelcheckt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedubbelcheckt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedubbelcheckt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedubbelcheckt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedubbelcheckt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedubbelcheckt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedubbelcheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dubbelchecken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedubbelcheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dubbelchecken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedubbelcheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedubbelcheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedubbelcheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedubbelcheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedubbelcheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dubbelchecken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dubbelchecken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedubbelcheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedubbelcheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedubbelcheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dubbel en checken
Woordfamilie van dubbelchecken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dubbelcheck | gebiedende wijs | dubbelchecken |
| dubbelchecke | aanvoegende wijs | dubbelchecken |
| dubbelcheckend | onvoltooid deelwoord | dubbelchecken |
| dubbelcheckende | woordvorm | dubbelchecken |
| dubbelcheckt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dubbelchecken |
| dubbelcheckte | verleden tijd | dubbelchecken |
| dubbelcheckten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dubbelchecken |
| gedubbelcheckt | voltooid deelwoord | dubbelchecken |
| gedubbelcheckte | woordvorm | dubbelchecken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbelchecken zijn vastgelegd.