Naar de inhoud

dubbelchecken

een tweede keer controleren

dubbelchecken

werkwoord

Betekenis

  1. een tweede keer controleren

Vervoeging van dubbelchecken

dubbelcheckenhele werkwoord — dubbelcheckteverleden tijd enkelvoud — dubbelchecktenverleden tijd meervoud — gedubbelchecktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dubbelcheck dubbelcheckte
jij dubbelcheckt dubbelcheckte
hij, zij, het dubbelcheckt dubbelcheckte
wij dubbelchecken dubbelcheckten
jullie dubbelchecken dubbelcheckten
zij dubbelchecken dubbelcheckten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dubbelcheck gebiedende wijs
dubbelchecke aanvoegende wijs
dubbelcheckend onvoltooid, deelwoord
dubbelcheckte verleden tijd
er is gedubbelcheckt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedubbelcheckt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedubbelcheckt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedubbelcheckt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedubbelcheckt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedubbelcheckt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedubbelcheckt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedubbelcheckt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedubbelcheckt verleden tijd, deelwoord
gedubbelcheckt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedubbelcheckt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedubbelcheckt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedubbelcheckt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedubbelcheckt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedubbelcheckt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedubbelcheckt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedubbelcheckt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedubbelcheckt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedubbelcheckt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedubbelcheckt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dubbelchecken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedubbelcheckt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dubbelchecken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedubbelcheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedubbelcheckt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedubbelcheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedubbelcheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedubbelcheckt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dubbelchecken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dubbelchecken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedubbelcheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedubbelcheckt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedubbelcheckt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van dubbel en checken

Woordfamilie van dubbelchecken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dubbelcheck gebiedende wijs dubbelchecken
dubbelchecke aanvoegende wijs dubbelchecken
dubbelcheckend onvoltooid deelwoord dubbelchecken
dubbelcheckende woordvorm dubbelchecken
dubbelcheckt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dubbelchecken
dubbelcheckte verleden tijd dubbelchecken
dubbelcheckten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dubbelchecken
gedubbelcheckt voltooid deelwoord dubbelchecken
gedubbelcheckte woordvorm dubbelchecken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbelchecken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dubbelchecken

Wat betekent dubbelchecken?
Dubbelchecken is een werkwoord. Het woord betekent: een tweede keer controleren.
Hoe vervoeg je dubbelchecken?
Je vervoegt dubbelchecken als volgt: de tegenwoordige tijd is dubbelcheck, de verleden tijd is dubbelcheckte en het voltooid deelwoord is gedubbelcheckt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dubbelchecken is 36 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. U 4
  3. B 3
  4. B 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. C 5
  11. K 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 36 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dubbelchecken levert met Wordfeud minimaal 36 en maximaal 138 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. U 2
  3. B 4
  4. B 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. C 5
  11. K 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 36 zonder bonus
  15. 138 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dubbelchecken in het kort

dubbelchecken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van dubbelchecken zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dubbelchecken bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dubbelchecken: een tweede keer controleren
Deel dubbelchecken — standaardnederlands.nl