dresseren
werkwoordBetekenis
- dieren africhten, kunstjes leren, tot gehoorzaamheid dwingen
- voor aflevering opmaken (b.v. bij van vlees, wild, gevogelte of een schotel)
Vervoeging van dresseren
dresserenhele werkwoord — dresseerdeverleden tijd enkelvoud — dresseerdenverleden tijd meervoud — gedresseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dresseer | dresseerde |
| jij | dresseert | dresseerde |
| hij, zij, het | dresseert | dresseerde |
| wij | dresseren | dresseerden |
| jullie | dresseren | dresseerden |
| zij | dresseren | dresseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dresseer | gebiedende wijs |
| dresseerde | verleden tijd |
| dressere | aanvoegende wijs |
| dresserend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedresseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedresseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedresseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedresseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedresseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedresseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedresseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedresseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedresseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedresseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedresseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedresseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedresseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedresseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedresseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedresseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedresseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedresseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedresseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedresseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedresseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedresseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedresseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedresseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dresseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedresseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dresseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedresseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedresseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedresseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedresseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedresseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedresseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedresseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedresseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedresseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dresseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dresseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedresseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedresseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedresseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘africhten’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van dresseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dresseer | gebiedende wijs | dresseren |
| dresseerde | verleden tijd | dresseren |
| dresseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dresseren |
| dresseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dresseren |
| dressere | aanvoegende wijs | dresseren |
| dresserend | onvoltooid deelwoord | dresseren |
| dresserende | woordvorm | dresseren |
| gedresseerd | voltooid deelwoord | dresseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dresseren zijn vastgelegd.