Naar de inhoud

opleiden

kennis en vaardigheid bijbrengen

opleiden

werkwoord ˈɔplɛidə(n)

Betekenis

  1. kennis en vaardigheid bijbrengen

Hoe spreek je opleiden uit?

/ˈɔplɛidən/

Opleiden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔplɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
l land
ɛi trein
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opleiden

opleidenhele werkwoord — leidde opverleden tijd enkelvoud — leidden opverleden tijd meervoud — opgeleidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leid op leidde op
jij leidt op leidde op
hij, zij, het leidt op leidde op
wij leiden op leidden op
jullie leiden op leidden op
zij leiden op leidden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeleid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeleid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeleid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeleid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeleid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeleid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeleid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeleid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeleid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeleid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeleid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeleid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeleid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leid op gebiedende wijs
leidde op verleden tijd
op te leiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen leiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal leiden bijzin, toekomende tijd
op zou leiden bijzin, voorwaardelijk
op zouden leiden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt leiden bijzin, voorwaardelijk
op zullen leiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen leiden bijzin, toekomende tijd
op zult leiden bijzin, toekomende tijd
opgeleid verleden tijd, deelwoord
opgeleid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeleid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeleid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeleid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeleid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeleid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeleid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeleid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeleid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeleid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opleid bijzin, tegenwoordige tijd
opleidde bijzin, verleden tijd
opleidden bijzin, verleden tijd
opleidend onvoltooid, deelwoord
opleidt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgeleid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opleiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeleid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeleid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeleid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeleid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeleid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeleid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeleid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeleid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeleid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opleiden bijzin, toekomende tijd
zijn opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeleid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opleiden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opleiden op zou(dt) leiden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opleiden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeleid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeleid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opleiden bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeleid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeleid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeleid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeleid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opleiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opleiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opleiden bijzin, toekomende tijd
zult opgeleid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en leiden

Woordfamilie van opleiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leid op gebiedende wijs opleiden
leidde op verleden tijd opleiden
leidden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opleiden
leide op woordvorm opleiden
leiden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opleiden
leidt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opleiden
opgeleid voltooid deelwoord opleiden
opleid subordinate-clause, tegenwoordige tijd opleiden
opleidde subordinate-clause, verleden tijd opleiden
opleidden subordinate-clause, verleden tijd opleiden
opleide with-subordinate-clause opleiden
opleidend onvoltooid deelwoord opleiden
opleidende woordvorm opleiden
opleidt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opleiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opleiden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opleiden

Hoe spreek je opleiden uit?
De uitspraak van opleiden is: /ˈɔplɛidə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opleiden?
Opleiden is een werkwoord. Het woord betekent: kennis en vaardigheid bijbrengen.
Hoe vervoeg je opleiden?
Je vervoegt opleiden als volgt: het voltooid deelwoord is opgeleid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opleiden is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. L 3
  4. E 1
  5. I 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opleiden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. I 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opleiden in het kort

opleiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opleiden zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opleiden bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opleiden: kennis en vaardigheid bijbrengen
Deel opleiden — standaardnederlands.nl