Naar de inhoud

compliceren

(nodeloos) ingewikkeld maken

compliceren

werkwoord

Betekenis

  1. (nodeloos) ingewikkeld maken

werkwoord

  1. ingewikkeld maken transitive

Vervoeging van compliceren

complicerenhele werkwoord — compliceerdeverleden tijd enkelvoud — compliceerdenverleden tijd meervoud — gecompliceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik compliceer compliceerde
jij compliceert compliceerde
hij, zij, het compliceert compliceerde
wij compliceren compliceerden
jullie compliceren compliceerden
zij compliceren compliceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
compliceer gebiedende wijs
compliceerde verleden tijd
complicere aanvoegende wijs
complicerend onvoltooid, deelwoord
er is gecompliceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecompliceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecompliceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecompliceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecompliceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecompliceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecompliceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecompliceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecompliceerd verleden tijd, deelwoord
gecompliceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecompliceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecompliceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecompliceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecompliceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecompliceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecompliceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecompliceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecompliceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecompliceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecompliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecompliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecompliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecompliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecompliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te compliceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecompliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen compliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecompliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecompliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gecompliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gecompliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gecompliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gecompliceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gecompliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt compliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecompliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecompliceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen compliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult compliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecompliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecompliceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecompliceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verwikkelen’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Woordfamilie van compliceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
compliceer gebiedende wijs compliceren
compliceerde verleden tijd compliceren
compliceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon compliceren
compliceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon compliceren
complicere aanvoegende wijs compliceren
complicerend onvoltooid deelwoord compliceren
complicerende woordvorm compliceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van compliceren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over compliceren

Wat is de betekenis van compliceren?
Compliceren is een werkwoord. De betekenis is: (nodeloos) ingewikkeld maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik compliceren?
Zo vervoeg je compliceren zo: de tegenwoordige tijd is compliceer, de verleden tijd is compliceerde en het voltooid deelwoord is gecompliceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord compliceren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. M 3
  4. P 3
  5. L 3
  6. I 1
  7. C 5
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

compliceren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. M 3
  4. P 4
  5. L 3
  6. I 2
  7. C 5
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 28 zonder bonus
  13. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

compliceren in het kort

compliceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van compliceren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort compliceren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

compliceren: (nodeloos) ingewikkeld maken
Deel compliceren — standaardnederlands.nl