Naar de inhoud

cirkelen

in cirkels ronddraaien of rondvliegen

cirkelen

werkwoord

Betekenis

  1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen

Vervoeging van cirkelen

cirkelenhele werkwoord — cirkeldeverleden tijd enkelvoud — cirkeldenverleden tijd meervoud — gecirkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik cirkel cirkelde
jij cirkelt cirkelde
hij, zij, het cirkelt cirkelde
wij cirkelen cirkelden
jullie cirkelen cirkelden
zij cirkelen cirkelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
cirkel gebiedende wijs
cirkelde verleden tijd
cirkele aanvoegende wijs
cirkelend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gecirkeld verleden tijd, deelwoord
gecirkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecirkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecirkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te cirkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecirkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen cirkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen cirkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult cirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van cirkel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van cirkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
cirkelde verleden tijd cirkelen
cirkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon cirkelen
cirkele aanvoegende wijs cirkelen
cirkelend onvoltooid deelwoord cirkelen
cirkelende woordvorm cirkelen
cirkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon cirkelen
gecirkeld voltooid deelwoord cirkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cirkelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over cirkelen

Wat betekent cirkelen?
Cirkelen is een werkwoord. Het woord betekent: in cirkels ronddraaien of rondvliegen.
Hoe vervoeg je cirkelen?
Je vervoegt cirkelen als volgt: de tegenwoordige tijd is cirkel, de verleden tijd is cirkelde en het voltooid deelwoord is gecirkeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord cirkelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. I 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

cirkelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. I 2
  3. R 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

cirkelen in het kort

cirkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van cirkelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort cirkelen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

cirkelen: in cirkels ronddraaien of rondvliegen
Deel cirkelen — standaardnederlands.nl