chaufferen
werkwoordBetekenis
- een auto besturen
Vervoeging van chaufferen
chaufferenhele werkwoord — chauffeerdeverleden tijd enkelvoud — chauffeerdenverleden tijd meervoud — gechauffeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | chauffeer | chauffeerde |
| jij | chauffeert | chauffeerde |
| hij, zij, het | chauffeert | chauffeerde |
| wij | chaufferen | chauffeerden |
| jullie | chaufferen | chauffeerden |
| zij | chaufferen | chauffeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chauffeer | gebiedende wijs |
| chauffeerde | verleden tijd |
| chauffere | aanvoegende wijs |
| chaufferend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechauffeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gechauffeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechauffeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechauffeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechauffeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechauffeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te chaufferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechauffeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen chaufferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechauffeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen chaufferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult chaufferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechauffeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van chauffeur (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van chaufferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chauffeer | gebiedende wijs | chaufferen |
| chauffeerde | verleden tijd | chaufferen |
| chauffeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | chaufferen |
| chauffeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | chaufferen |
| chauffere | aanvoegende wijs | chaufferen |
| chaufferend | onvoltooid deelwoord | chaufferen |
| chaufferende | woordvorm | chaufferen |
| gechauffeerd | voltooid deelwoord | chaufferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chaufferen zijn vastgelegd.