chauffeur
zelfstandig naamwoord ˈʃoførBetekenis
- bestuurder 1
- stoker 1
- de bestuurder van een motorvoertuig
Hoe spreek je chauffeur uit?
/ˈʃofør/
Chauffeur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| o | boot |
| f | fiets |
| ø | deur |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de bestuurder van een motorvoertuig (ook )
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chauffeurs | meervoud |
| chauffeurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| chauffeurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘autobestuurder’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van chauffeur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chauffeurs | meervoud | chauffeur |
| chauffeurtje | verkleinwoord | chauffeur |
| chauffeurtjes | verkleinwoord meervoud | chauffeur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chauffeur zijn vastgelegd.