chanteren
werkwoordBetekenis
- onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
Vervoeging van chanteren
chanterenhele werkwoord — chanteerdeverleden tijd enkelvoud — chanteerdenverleden tijd meervoud — gechanteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | chanteer | chanteerde |
| jij | chanteert | chanteerde |
| hij, zij, het | chanteert | chanteerde |
| wij | chanteren | chanteerden |
| jullie | chanteren | chanteerden |
| zij | chanteren | chanteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| chanteer | gebiedende wijs |
| chanteerde | verleden tijd |
| chantere | aanvoegende wijs |
| chanterend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gechanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gechanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gechanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gechanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gechanteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gechanteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gechanteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gechanteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechanteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gechanteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gechanteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gechanteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechanteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechanteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechanteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gechanteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gechanteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gechanteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gechanteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te chanteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen chanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gechanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gechanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gechanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gechanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gechanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gechanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gechanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gechanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen chanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult chanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gechanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gechanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geld afpersen door dreigementen’ voor het eerst aangetroffen in 1949
Woordfamilie van chanteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chanteer | gebiedende wijs | chanteren |
| chanteerde | verleden tijd | chanteren |
| chanteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | chanteren |
| chanteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | chanteren |
| chantere | aanvoegende wijs | chanteren |
| chanterend | onvoltooid deelwoord | chanteren |
| chanterende | woordvorm | chanteren |
| gechanteerd | voltooid deelwoord | chanteren |
| gechanteerde | woordvorm | chanteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chanteren zijn vastgelegd.