Naar de inhoud

afpersen

onder dreiging van geweld iemand geld afnemen

afpersen

werkwoord

Betekenis

  1. onder dreiging van geweld iemand geld afnemen

Vervoeging van afpersen

afpersenhele werkwoord — perste afverleden tijd enkelvoud — persten afverleden tijd meervoud — afgeperstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pers af perste af
jij perst af perste af
hij, zij, het perst af perste af
wij persen af persten af
jullie persen af persten af
zij persen af persten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te persen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen persen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal persen bijzin, toekomende tijd
af zou persen bijzin, voorwaardelijk
af zouden persen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt persen bijzin, voorwaardelijk
af zullen persen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen persen bijzin, toekomende tijd
af zult persen bijzin, toekomende tijd
afgeperst verleden tijd, deelwoord
afgeperst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeperst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeperst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeperst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeperst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeperst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeperst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeperst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeperst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeperst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afpers bijzin, tegenwoordige tijd
afpersend onvoltooid, deelwoord
afperst bijzin, tegenwoordige tijd
afperste bijzin, verleden tijd
afpersten bijzin, verleden tijd
ben afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeperst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeperst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeperst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeperst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeperst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeperst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeperst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeperst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeperst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeperst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeperst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeperst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeperst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pers af gebiedende wijs
perste af verleden tijd
te hebben afgeperst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afpersen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeperst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeperst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeperst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeperst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeperst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeperst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeperst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeperst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeperst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afpersen bijzin, toekomende tijd
zijn afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeperst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afpersen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afpersen af zou(dt) persen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afpersen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeperst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeperst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afpersen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeperst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeperst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeperst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeperst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afpersen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afpersen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afpersen bijzin, toekomende tijd
zult afgeperst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en persen ww

Woordfamilie van afpersen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeperst voltooid deelwoord afpersen
afgeperste woordvorm afpersen
afpers subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpersen
afperse with-subordinate-clause afpersen
afpersend onvoltooid deelwoord afpersen
afpersende woordvorm afpersen
afperst subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpersen
afperste subordinate-clause, verleden tijd afpersen
afpersten subordinate-clause, verleden tijd afpersen
pers af gebiedende wijs afpersen
perse af woordvorm afpersen
persen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afpersen
perst af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afpersen
perste af verleden tijd afpersen
persten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afpersen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afpersen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afpersen

Wat is de betekenis van afpersen?
Afpersen is een werkwoord. De betekenis is: onder dreiging van geweld iemand geld afnemen.
Hoe vervoeg ik afpersen?
Zo vervoeg je afpersen zo: het voltooid deelwoord is afgeperst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afpersen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afpersen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afpersen in het kort

afpersen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afpersen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afpersen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afpersen: onder dreiging van geweld iemand geld afnemen
Deel afpersen — standaardnederlands.nl