bruin
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord brœynBetekenis
- tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
- een paard, vooral een paard met een vacht in de kleur ~1.
- gemakkelijk, zonder beslommeringen
- een donker gelaat of uiterlijk hebbend, opgevat als een etnisch kenmerk
- met betrekking tot het nationaalsocialisme of fascisme (vernoemd naar de dominante kleur van de uniformen van de aanhangers)
Hoe spreek je bruin uit?
/brœyn/
Bruin bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| œy | huis |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — neuter
- kleur zoals die van koffie of chocola, tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
- paard, vooral een paard met een vacht in de kleur als van koffie of chocola
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bruinen | meervoud |
| bruintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bruintjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- met een kleur zoals die van koffie of chocola, in een tertiaire kleur die wordt verkregen door rood, geel en blauw te combineren
- met betrekking tot het nationaalsocialisme of fascisme
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
- gebiedende wijs van bruinen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
Vervoeging van bruin
bruinhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands brun, bruun “bruin, donker, glanzend”, als kleurnaam aangetroffen vanaf 1210; uit Germaans *brūna-, verwant aan Duits braun, Engels brown, Fries brún
Woordfamilie van bruin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bruiner | woordvorm | bruin |
| bruiners | woordvorm | bruin |
| bruins | woordvorm | bruin |
| bruinst | woordvorm | bruin |
| bruinste | woordvorm | bruin |
| bruintje | verkleinwoord | bruin |
| bruintjes | verkleinwoord meervoud | bruin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bruin zijn vastgelegd.