kolom
zelfstandig naamwoord koˈlɔmBetekenis
- een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil
- elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijde
- een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallen
Hoe spreek je kolom uit?
/koˈlɔm/
Kolom bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| l | land |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- artikel in een krant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kolommen | meervoud |
| kolommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kolommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuil, iets in de vorm van een zuil’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van kolom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kolommen | meervoud | kolom |
| kolommetje | verkleinwoord | kolom |
| kolommetjes | verkleinwoord meervoud | kolom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kolom zijn vastgelegd.