gom
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɣɔm/Betekenis
- een gum
- een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
Hoe spreek je gom uit?
/xɔm/
Gom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɔ | bot |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gommen | meervoud |
| gommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
- gebiedende wijs van gommen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
Vervoeging van gom
gomhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleverige boomvloeistof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van gom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gommetje | verkleinwoord | gom |
| gommetjes | verkleinwoord meervoud | gom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gom zijn vastgelegd.