boter
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈbotər/Betekenis
- gekarnde en geknede room van melk, meestal gebruikt als voedingsstof
- oneigenlijk vervangproduct voor boter, geproduceerd uit plantenvet
- fles
Hoe spreek je boter uit?
/ˈbotər/
Boter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- oneigenlijk vervangproduct voor het onder [1] genoemde voedingsmiddel, geproduceerd uit plantenvet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boters | meervoud |
| botertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| botertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boteren
- gebiedende wijs van boteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boteren
Vervoeging van boter
boterhele werkwoord
Herkomst
Ontleend aan het middeleeuws Latijnse butyrum. In de betekenis van ‘voedingsstof van melk’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van boter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boters | meervoud | boter |
| botertje | verkleinwoord | boter |
| botertjes | verkleinwoord meervoud | boter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boter zijn vastgelegd.