betrekking
zelfstandig naamwoord bəˈtrɛkɪŋBetekenis
- een band of relatie
- een bezigheid waaruit men inkomsten haalt, de baan, ambt, post, werkkring
- een verband
Hoe spreek je betrekking uit?
/bəˈtrɛkɪŋ/
Betrekking bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- band of relatie tussen personen of groepen
- bezigheid waarvoor iemand geregeld inkomen krijgt
- samenhang of verband tussen bepaalde zaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| betrekkingen | meervoud |
| betrekkinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| betrekkinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
naamwoord van handeling van betrekken met het achtervoegsel -ing **met de betekenis "laster" aangetroffen in het Middelnederlands als betreckinge **[2] in de betekenis van ‘werkkring’ aangetroffen vanaf 1866
Woordfamilie van betrekking
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betrekkingen | meervoud | betrekking |
| betrekkinkje | verkleinwoord | betrekking |
| betrekkinkjes | verkleinwoord meervoud | betrekking |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betrekking zijn vastgelegd.