berg
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɛrx/Betekenis
- een substantiële opzichzelfstaande verhoging van de aardkorst
- een grote hoeveelheid
- bergen; in veiligheid brengen
- bergen; het in de haven brengen van een schip met problemen
- berg
- heuvel
- ophoging
- mesthoop
- gebergte
- bescherming, onderdak
- voogd, wachter
- berg (verhoging)
- bergondergrond
- berg (hoeveelheid)
- bergspits, bergtop
- herberg, bescherming
- toevlucht
- rots, steen
Hoe spreek je berg uit?
/bɛrx/
Berg bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bergje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (bergjes) | verkleinwoord, meervoud |
| bergen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bergen
- gebiedende wijs van bergen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bergen
Vervoeging van berg
berghele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands berch van Oudnederlands berg; in de betekenis van ‘hoge terreinverheffing’ voor het eerst aangetroffen in 865.
Woordfamilie van berg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bergje | woordvorm | berg |
| bergjes | meervoud | berg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van berg zijn vastgelegd.