| berg |
gebiedende wijs
|
| berg me |
eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| berg u/je , bergt je |
gebiedende wijs
|
| berge |
aanvoegende wijs
|
| berge zich |
aanvoegende wijs
|
| bergen je |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| bergen ons |
eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| bergen zich |
derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| bergend |
onvoltooid, deelwoord
|
| bergt je |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| bergt u |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| bergt u |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| bergt zich |
derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| bergt zich/u |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| bergt zich/u |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| borg |
verleden tijd
|
| borg je |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| borg me |
eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| borg u |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| borg u |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| borg zich |
derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| borg zich/u |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| borg zich/u |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| borgen je |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| borgen ons |
eerste persoon, verleden tijd, meervoud
|
| borgen zich |
derde persoon, verleden tijd, meervoud
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| geborgen |
verleden tijd, deelwoord
|
| geborgen te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geborgen zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geborgen |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geborgen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geborgen |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geborgen |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geborgen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geborgen |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geborgen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geborgen |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geborgen |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te bergen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te hebben geborgen |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen bergen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zal geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal me bergen |
eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zal zich bergen |
derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zal, zult je bergen |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zich bergend |
onvoltooid, deelwoord
|
| zich geborgen hebben |
verleden tijd
|
| zou bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zouden geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zoudt bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zoudt geborgen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zullen bergen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zullen geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen je bergen |
tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
|
| zullen ons bergen |
eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
|
| zullen zich bergen |
derde persoon, toekomende tijd, meervoud
|
| zult bergen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zult geborgen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult u bergen |
tweede persoon
|
| zult u bergen |
tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
|
| zult zich/u bergen |
tweede persoon
|
| zult zich/u bergen |
tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
|