Naar de inhoud

beleggen

geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren

beleggen is meer dan één woord

beleggen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren
  2. een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
  3. het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)
  4. bijeenroepen, houden
  5. de actie van het beleg op een boterham doen

werkwoord

  1. geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming [1] of in waardepapieren transitive

Vervoeging van beleggen

beleggenhele werkwoord — belegdeverleden tijd enkelvoud — belegdenverleden tijd meervoud — belegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beleg belegde
jij belegt belegde
hij, zij, het belegt belegde
wij beleggen belegden
jullie beleggen belegden
zij beleggen belegden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
beleg gebiedende wijs
belegd verleden tijd, deelwoord
belegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
belegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
belegde verleden tijd
belegge aanvoegende wijs
beleggend onvoltooid, deelwoord
er is belegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was belegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd belegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt belegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal belegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal belegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou belegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou belegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had belegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had belegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had belegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden belegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden belegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden belegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt belegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb belegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben belegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben belegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt belegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beleggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben belegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal belegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal belegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt belegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beleggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen belegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen belegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen belegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult belegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beleggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord beleg

Herkomst

afgeleid van leggen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van beleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
belegd voltooid deelwoord beleggen
belegde verleden tijd beleggen
belegden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beleggen
belegge aanvoegende wijs beleggen
beleggend onvoltooid deelwoord beleggen
beleggende woordvorm beleggen
belegt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beleggen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over beleggen

Wat betekent beleggen?
Beleggen is een werkwoord. Het woord betekent: geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je beleggen?
Je vervoegt beleggen als volgt: de tegenwoordige tijd is beleg, de verleden tijd is belegde en het voltooid deelwoord is belegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beleggen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beleggen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beleggen in het kort

beleggen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van beleggen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort beleggen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

beleggen: geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren
Deel beleggen — standaardnederlands.nl