beleggen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren
- een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
- het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)
- bijeenroepen, houden
- de actie van het beleg op een boterham doen
werkwoord
- geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming [1] of in waardepapieren transitive
Vervoeging van beleggen
beleggenhele werkwoord — belegdeverleden tijd enkelvoud — belegdenverleden tijd meervoud — belegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beleg | belegde |
| jij | belegt | belegde |
| hij, zij, het | belegt | belegde |
| wij | beleggen | belegden |
| jullie | beleggen | belegden |
| zij | beleggen | belegden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beleg | gebiedende wijs |
| belegd | verleden tijd, deelwoord |
| belegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belegde | verleden tijd |
| belegge | aanvoegende wijs |
| beleggend | onvoltooid, deelwoord |
| er is belegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was belegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd belegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt belegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal belegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal belegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou belegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou belegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beleggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beleg
Herkomst
afgeleid van leggen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belegd | voltooid deelwoord | beleggen |
| belegde | verleden tijd | beleggen |
| belegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beleggen |
| belegge | aanvoegende wijs | beleggen |
| beleggend | onvoltooid deelwoord | beleggen |
| beleggende | woordvorm | beleggen |
| belegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beleggen zijn vastgelegd.