belegger
zelfstandig naamwoord bəˈlɛɣərBetekenis
- iemand die geld belegt, geld vastlegt in effecten of goederen, in de verwachting hier later winst mee te maken
Hoe spreek je belegger uit?
/bəˈlɛxər/
Belegger bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (beleggertje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (beleggertjes) | verkleinwoord, meervoud |
| beleggers | meervoud |
Herkomst
Afgeleid van de stam van beleggen met het achtervoegsel -er.
Woordfamilie van belegger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beleggers | meervoud | belegger |
| beleggertje | woordvorm | belegger |
| beleggertjes | meervoud | belegger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belegger zijn vastgelegd.