beknorren
werkwoordBetekenis
- iemand een standje geven
Vervoeging van beknorren
beknorrenhele werkwoord — beknordeverleden tijd enkelvoud — beknordenverleden tijd meervoud — beknordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beknor | beknorde |
| jij | beknort | beknorde |
| hij, zij, het | beknort | beknorde |
| wij | beknorren | beknorden |
| jullie | beknorren | beknorden |
| zij | beknorren | beknorden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beknor | gebiedende wijs |
| beknord | verleden tijd, deelwoord |
| beknord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beknord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beknorde | verleden tijd |
| beknorre | aanvoegende wijs |
| beknorrend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beknord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beknord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beknord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beknord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beknord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beknord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beknord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beknorren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beknord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beknorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beknord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beknorren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beknord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beknorren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van knorren (misnoegen, ontevredenheid uiten op boze wijze) met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beknorren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beknor | gebiedende wijs | beknorren |
| beknord | voltooid deelwoord | beknorren |
| beknorde | verleden tijd | beknorren |
| beknorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beknorren |
| beknorre | aanvoegende wijs | beknorren |
| beknorrend | onvoltooid deelwoord | beknorren |
| beknorrende | woordvorm | beknorren |
| beknort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beknorren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beknorren zijn vastgelegd.