balken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɑlkə(n)Betekenis
- het geluid van een ezel maken
Hoe spreek je balken uit?
/ˈbɑlkən/
Balken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iaën, het geluid van een ezel maken unergative
Vervoeging van balken
balkenhele werkwoord — balkteverleden tijd enkelvoud — balktenverleden tijd meervoud — gebalktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | balk | balkte |
| jij | balkt | balkte |
| hij, zij, het | balkt | balkte |
| wij | balken | balkten |
| jullie | balken | balkten |
| zij | balken | balkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| balk | gebiedende wijs |
| balke | aanvoegende wijs |
| balkend | onvoltooid, deelwoord |
| balkte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebalkt | verleden tijd, deelwoord |
| gebalkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebalkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te balken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen balken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt balken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen balken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult balken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord balk
Herkomst
In de betekenis van ‘schreeuwen van ezels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
Woordfamilie van balken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| balke | aanvoegende wijs | balken |
| balkend | onvoltooid deelwoord | balken |
| balkende | woordvorm | balken |
| balkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | balken |
| balkte | verleden tijd | balken |
| balkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | balken |
| gebalkt | voltooid deelwoord | balken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balken zijn vastgelegd.