balk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbɑlᵊkBetekenis
- (geometrie) een veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
- een ruimteoverspannend constructie-element waarvan de lengte vele malen groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
- geld over de balk gooien: Veel te veel geld uit even aan onnuttige dingen
- lange rechthoek boven- of onderaan een scherm
Hoe spreek je balk uit?
/ˈbɑlək/
Balk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede, gebruikt om een ruimte te overspannen
- veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| balken | meervoud |
| balkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| balkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van balken
- gebiedende wijs van balken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van balken
Vervoeging van balk
balkhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands balc / balc van Oudnederlands balko, in de betekenis van ‘stuk hout’ aangetroffen vanaf 1064
Woordfamilie van balk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| balkje | verkleinwoord | balk |
| balkjes | verkleinwoord meervoud | balk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balk zijn vastgelegd.