ambt
zelfstandig naamwoord ɑmtBetekenis
- officiële betrekking, post die meestal van overheidswege toegekend wordt en enige vorm van gezag uitstraalt
- geestelijke taak of dienst die iemand beroepshalve uitvoert
Hoe spreek je ambt uit?
/ɑmt/
Ambt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ambten | meervoud |
| ambtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ambtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands ambt / ammet van Middelhoogduits ampt, cognaat met ambacht, in de betekenis van ‘openbare, hogere betrekking’ aangetroffen vanaf 1347
Woordfamilie van ambt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ambten | meervoud | ambt |
| ambtje | verkleinwoord | ambt |
| ambtjes | verkleinwoord meervoud | ambt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ambt zijn vastgelegd.