ambtstermijn
zelfstandig naamwoord ˈɑmptstɛrmɛɪnBetekenis
- de tijdspanne waarvoor iemand een bepaalde functie mag uitoefenen en het aantal keren dat iemand zo'n tijdsspanne mag uitoefenen
Hoe spreek je ambtstermijn uit?
/ˈɑmptstɛrmɛin/
Ambtstermijn bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| p | pak |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ambtstermijnen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van ambt en termijn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van ambtstermijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ambtstermijnen | meervoud | ambtstermijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ambtstermijn zijn vastgelegd.