ambtstijd
zelfstandig naamwoord ˈɑmptstɛɪtBetekenis
- de periode dat iemand een functie vervult
Hoe spreek je ambtstijd uit?
/ˈɑmptstɛit/
Ambtstijd bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| p | pak |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ambtstijden | meervoud |
Herkomst
samenstelling van ambt zn en tijd zn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van ambtstijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ambtstijden | meervoud | ambtstijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ambtstijd zijn vastgelegd.