Naar de inhoud

afrijden

naar beneden rijden

afrijden

werkwoord

Betekenis

  1. naar beneden rijden
  2. rijexamen afleggen
  3. doorkruisen
  4. afmatten

Vervoeging van afrijden

afrijdenhele werkwoord — reed afverleden tijd enkelvoud — reden afverleden tijd meervoud — afgeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij af reed af
jij rijdt af reed af
hij, zij, het rijdt af reed af
wij rijden af reden af
jullie rijden af reden af
zij rijden af reden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal rijden bijzin, toekomende tijd
af zou rijden bijzin, voorwaardelijk
af zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
af zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen rijden bijzin, toekomende tijd
af zult rijden bijzin, toekomende tijd
afgereden verleden tijd, deelwoord
afgereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afreden bijzin, verleden tijd
afreed bijzin, verleden tijd
afrij bijzin, tegenwoordige tijd
afrijd bijzin, tegenwoordige tijd
afrijdend onvoltooid, deelwoord
afrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. rij af/ rijd af gebiedende wijs
had afgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed af verleden tijd
te hebben afgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afrijden bijzin, toekomende tijd
zijn afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afrijden af zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afrijden bijzin, toekomende tijd
zult afgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en rijden

Woordfamilie van afrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgereden voltooid deelwoord afrijden
afrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrijden
afrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrijden
afrijde with-subordinate-clause afrijden
afrijdend onvoltooid deelwoord afrijden
afrijdende woordvorm afrijden
afrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrijden
rij af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon afrijden
rijd af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon afrijden
rijde af woordvorm afrijden
rijden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afrijden
rijdt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrijden zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afrijden

Wat betekent afrijden?
Afrijden is een werkwoord. Het woord betekent: naar beneden rijden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afrijden?
Je vervoegt afrijden als volgt: het voltooid deelwoord is afgereden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afrijden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 1
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afrijden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afrijden in het kort

afrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afrijden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afrijden bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afrijden: naar beneden rijden
Deel afrijden — standaardnederlands.nl