afrijden
werkwoordBetekenis
- naar beneden rijden
- rijexamen afleggen
- doorkruisen
- afmatten
Vervoeging van afrijden
afrijdenhele werkwoord — reed afverleden tijd enkelvoud — reden afverleden tijd meervoud — afgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij af | reed af |
| jij | rijdt af | reed af |
| hij, zij, het | rijdt af | reed af |
| wij | rijden af | reden af |
| jullie | rijden af | reden af |
| zij | rijden af | reden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| afgereden | verleden tijd, deelwoord |
| afgereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afreden | bijzin, verleden tijd |
| afreed | bijzin, verleden tijd |
| afrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| afrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. rij af/ rijd af | gebiedende wijs |
| had afgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed af | verleden tijd |
| te hebben afgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afrijden af zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af en rijden
Woordfamilie van afrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgereden | voltooid deelwoord | afrijden |
| afrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afrijden |
| afrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afrijden |
| afrijde | with-subordinate-clause | afrijden |
| afrijdend | onvoltooid deelwoord | afrijden |
| afrijdende | woordvorm | afrijden |
| afrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afrijden |
| rij af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | afrijden |
| rijd af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | afrijden |
| rijde af | woordvorm | afrijden |
| rijden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afrijden |
| rijdt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrijden zijn vastgelegd.