wegrijden
werkwoordBetekenis
- zich rijdend verwijderen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wegrijden
wegrijdenhele werkwoord — reed wegverleden tijd enkelvoud — reden wegverleden tijd meervoud — weggeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij weg | reed weg |
| jij | rijdt weg | reed weg |
| hij, zij, het | rijdt weg | reed weg |
| wij | rijden weg | reden weg |
| jullie | rijden weg | reden weg |
| zij | rijden weg | reden weg |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weggereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weggereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weggereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weggereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weggereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weggereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weggereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weggereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weggereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weggereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weggereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weggereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed weg | verleden tijd |
| rij weg | gebiedende wijs |
| rijd weg | gebiedende wijs |
| te hebben weggereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| weggereden | verleden tijd, deelwoord |
| weggereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegreden | bijzin, verleden tijd |
| wegreed | bijzin, verleden tijd |
| wegrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| wegrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| werd weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weggereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weggereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegrijden weg zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weggereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weggereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van weg bw en rijden
Woordfamilie van wegrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reden weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegrijden |
| reed weg | verleden tijd | wegrijden |
| rij weg | gebiedende wijs | wegrijden |
| rijd weg | gebiedende wijs | wegrijden |
| rijde weg | woordvorm | wegrijden |
| rijden weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegrijden |
| rijdt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegrijden |
| weggereden | voltooid deelwoord | wegrijden |
| wegreden | subordinate-clause, verleden tijd | wegrijden |
| wegreed | subordinate-clause, verleden tijd | wegrijden |
| wegrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegrijden |
| wegrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegrijden |
| wegrijde | with-subordinate-clause | wegrijden |
| wegrijdend | onvoltooid deelwoord | wegrijden |
| wegrijdende | woordvorm | wegrijden |
| wegrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegrijden zijn vastgelegd.