Naar de inhoud

uitlopen

lopend een ruimte verlaten

uitlopen is meer dan één woord

uitlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. lopend een ruimte verlaten
  2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
  3. langer duren dan verwacht
  4. ~ op: resulteren in iets, als gevolg hebben
  5. iets wandelend volbrengen
  6. de afstand vergroten

Vervoeging van uitlopen

uitlopenhele werkwoord — liep uitverleden tijd enkelvoud — liepen uitverleden tijd meervoud — uitgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop uit liep uit
jij loopt uit liep uit
hij, zij, het loopt uit liep uit
wij lopen uit liepen uit
jullie lopen uit liepen uit
zij lopen uit liepen uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep uit verleden tijd
loop uit gebiedende wijs
te hebben uitgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal lopen bijzin, toekomende tijd
uit zou lopen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen lopen bijzin, toekomende tijd
uit zult lopen bijzin, toekomende tijd
uitgelopen verleden tijd, deelwoord
uitgelopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgelopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgelopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitliep bijzin, verleden tijd
uitliepen bijzin, verleden tijd
uitloop bijzin, tegenwoordige tijd
uitloopt bijzin, tegenwoordige tijd
uitlopend onvoltooid, deelwoord
waart uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitlopen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitlopen uit zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitlopen bijzin, toekomende tijd
zult uitgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitloop

Herkomst

samenstelling van uit bw en lopen ww

Woordfamilie van uitlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep uit verleden tijd uitlopen
liepen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitlopen
loop uit gebiedende wijs uitlopen
loopt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitlopen
lope uit woordvorm uitlopen
lopen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitlopen
uitgelopen voltooid deelwoord uitlopen
uitliep subordinate-clause, verleden tijd uitlopen
uitliepen subordinate-clause, verleden tijd uitlopen
uitloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitlopen
uitlope with-subordinate-clause uitlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitlopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitlopen

Wat betekent uitlopen?
Uitlopen is een werkwoord. Het woord betekent: lopend een ruimte verlaten. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitlopen?
Je vervoegt uitlopen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitlopen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitlopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitlopen in het kort

uitlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitlopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitlopen bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitlopen: lopend een ruimte verlaten
Deel uitlopen — standaardnederlands.nl