Naar de inhoud

afladen

vrachtgoed van een scheepsdek of open wagen lossen

afladen

werkwoord

Betekenis

  1. vrachtgoed van een scheepsdek of open wagen lossen

Vervoeging van afladen

afladenhele werkwoord — laadde afverleden tijd enkelvoud — laadden afverleden tijd meervoud — afgeladenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik laad af laadde af
jij laadt af laadde af
hij, zij, het laadt af laadde af
wij laden af laadden af
jullie laden af laadden af
zij laden af laadden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te laden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen laden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal laden bijzin, toekomende tijd
af zou laden bijzin, voorwaardelijk
af zouden laden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt laden bijzin, voorwaardelijk
af zullen laden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen laden bijzin, toekomende tijd
af zult laden bijzin, toekomende tijd
afgeladen verleden tijd, deelwoord
afgeladen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeladen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeladen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeladen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeladen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeladen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeladen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeladen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeladen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeladen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aflaad bijzin, tegenwoordige tijd
aflaadde bijzin, verleden tijd
aflaadden bijzin, verleden tijd
aflaadt bijzin, tegenwoordige tijd
afladend onvoltooid, deelwoord
ben afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeladen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeladen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeladen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeladen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeladen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeladen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeladen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeladen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeladen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
laad af gebiedende wijs
laadde af verleden tijd
te hebben afgeladen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afladen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeladen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeladen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeladen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeladen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeladen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeladen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeladen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afladen bijzin, toekomende tijd
zijn afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeladen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afladen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afladen af zou(dt) laden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afladen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeladen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeladen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afladen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeladen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeladen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeladen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeladen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afladen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afladen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afladen bijzin, toekomende tijd
zult afgeladen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en laden

Woordfamilie van afladen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeladen voltooid deelwoord afladen
aflaad subordinate-clause, tegenwoordige tijd afladen
aflaadde subordinate-clause, verleden tijd afladen
aflaadden subordinate-clause, verleden tijd afladen
aflaadt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afladen
aflade with-subordinate-clause afladen
afladend onvoltooid deelwoord afladen
afladende woordvorm afladen
laad af gebiedende wijs afladen
laadde af verleden tijd afladen
laadden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afladen
laadt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afladen
lade af woordvorm afladen
laden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afladen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afladen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afladen

Wat betekent afladen?
Afladen is een werkwoord. Het woord betekent: vrachtgoed van een scheepsdek of open wagen lossen.
Hoe vervoeg je afladen?
Je vervoegt afladen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeladen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afladen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. A 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afladen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. A 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afladen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afladen in het kort

afladen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afladen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afladen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afladen: vrachtgoed van een scheepsdek of open wagen lossen
Deel afladen — standaardnederlands.nl