ontladen
werkwoordBetekenis
- iets (bijv. een dier, voertuig enz.) van zijn last ontdoen
- iets van zijn elektrische lading ontdoen
Vervoeging van ontladen
ontladenhele werkwoord — ontlaaddeverleden tijd enkelvoud — ontlaaddenverleden tijd meervoud — ontladenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontlaad | ontlaadde |
| jij | ontlaadt | ontlaadde |
| hij, zij, het | ontlaadt | ontlaadde |
| wij | ontladen | ontlaadden |
| jullie | ontladen | ontlaadden |
| zij | ontladen | ontlaadden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontladen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontladen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontladen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontladen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontladen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontladen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontladen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontladen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontladen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontlaad | gebiedende wijs |
| ontlaad me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaad u/je , ontlaadt je | gebiedende wijs |
| ontlaadde | verleden tijd |
| ontlaadde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontlaadde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontlaadde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaadt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaadt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaadt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlade | aanvoegende wijs |
| ontlade zich | aanvoegende wijs |
| ontladen | verleden tijd, deelwoord |
| ontladen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontladen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontladen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontladen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontladen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontladen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontladen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontladen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontladen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontladen hebben | verleden tijd |
| zich ontladend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontladen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontladen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontladen
Vervoeging van ontladen
ontladenhele werkwoord — ontlaaddeverleden tijd enkelvoud — ontlaaddenverleden tijd meervoud — ontladenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontlaad | ontlaadde |
| jij | ontlaadt | ontlaadde |
| hij, zij, het | ontlaadt | ontlaadde |
| wij | ontladen | ontlaadden |
| jullie | ontladen | ontlaadden |
| zij | ontladen | ontlaadden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontladen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontladen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontladen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontladen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontladen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontladen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontladen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontladen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontladen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontlaad | gebiedende wijs |
| ontlaad me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaad u/je , ontlaadt je | gebiedende wijs |
| ontlaadde | verleden tijd |
| ontlaadde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontlaadde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontlaadde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlaadt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaadt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaadt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaadt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaadt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlade | aanvoegende wijs |
| ontlade zich | aanvoegende wijs |
| ontladen | verleden tijd, deelwoord |
| ontladen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontladen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontladen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontladen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontladen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontladen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontladend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontladen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontladen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontladen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontladen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontladen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontladen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontladen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontladen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontladen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontladen hebben | verleden tijd |
| zich ontladend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontladen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontladen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontladen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontladen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontladen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontladen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontladen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontladen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van laden met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontladen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontlaad | gebiedende wijs | ontladen |
| ontlaadde | verleden tijd | ontladen |
| ontlaadden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontladen |
| ontlaadt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontladen |
| ontlade | aanvoegende wijs | ontladen |
| ontladend | onvoltooid deelwoord | ontladen |
| ontladende | woordvorm | ontladen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontladen zijn vastgelegd.