afschilferen
werkwoordBetekenis
- in schilfers ervan afvallen
Vervoeging van afschilferen
afschilferenhele werkwoord — schilferde afverleden tijd enkelvoud — schilferden afverleden tijd meervoud — afgeschilferdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schilfer af | schilferde af |
| jij | schilfert af | schilferde af |
| hij, zij, het | schilfert af | schilferde af |
| wij | schilferen af | schilferden af |
| jullie | schilferen af | schilferden af |
| zij | schilferen af | schilferden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te schilferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen schilferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal schilferen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou schilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden schilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt schilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen schilferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen schilferen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult schilferen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschilferd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschilferd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschilferd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afschilfer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afschilferde | bijzin, verleden tijd |
| afschilferden | bijzin, verleden tijd |
| afschilferend | onvoltooid, deelwoord |
| afschilfert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschilferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschilferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschilferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schilfer af | gebiedende wijs |
| schilferde af | verleden tijd |
| te hebben afgeschilferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afschilferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afschilferen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afschilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afschilferen af zou(dt) schilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afschilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschilferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afschilferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afschilferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afschilferen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschilferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afschilferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afschilferen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afschilferen af zult/zal schilferen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en schilferen ww
Woordfamilie van afschilferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschilferd | voltooid deelwoord | afschilferen |
| afgeschilferde | woordvorm | afschilferen |
| afschilfer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschilferen |
| afschilferde | subordinate-clause, verleden tijd | afschilferen |
| afschilferden | subordinate-clause, verleden tijd | afschilferen |
| afschilfere | with-subordinate-clause | afschilferen |
| afschilferend | onvoltooid deelwoord | afschilferen |
| afschilferende | woordvorm | afschilferen |
| afschilfert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afschilferen |
| schilfer af | gebiedende wijs | afschilferen |
| schilferde af | verleden tijd | afschilferen |
| schilferden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afschilferen |
| schilfere af | woordvorm | afschilferen |
| schilferen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afschilferen |
| schilfert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afschilferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afschilferen zijn vastgelegd.