accelereren
werkwoordBetekenis
- versnellen
- optrekken
Vervoeging van accelereren
accelererenhele werkwoord — accelereerdeverleden tijd enkelvoud — accelereerdenverleden tijd meervoud — geaccelereerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | accelereer | accelereerde |
| jij | accelereert | accelereerde |
| hij, zij, het | accelereert | accelereerde |
| wij | accelereren | accelereerden |
| jullie | accelereren | accelereerden |
| zij | accelereren | accelereerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| accelereer | gebiedende wijs |
| accelereerde | verleden tijd |
| accelerere | aanvoegende wijs |
| accelererend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaccelereerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaccelereerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaccelereerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaccelereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccelereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaccelereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te accelereren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaccelereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen accelereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaccelereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen accelereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult accelereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaccelereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘versnellen’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van accelereren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| accelereer | gebiedende wijs | accelereren |
| accelereerde | verleden tijd | accelereren |
| accelereerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | accelereren |
| accelereert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | accelereren |
| accelerere | aanvoegende wijs | accelereren |
| accelererend | onvoltooid deelwoord | accelereren |
| accelererende | woordvorm | accelereren |
| geaccelereerd | voltooid deelwoord | accelereren |
| geaccelereerde | woordvorm | accelereren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van accelereren zijn vastgelegd.