aanvoeren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈaɱvurə(n)Betekenis
- bevel voeren over, leiden
- aanbrengen, naartoe transporteren
- bijbrengen als bewijs
Hoe spreek je aanvoeren uit?
/ˈamvurən/
Aanvoeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| u | boek |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanvoeren
aanvoerenhele werkwoord — voerde aanverleden tijd enkelvoud — voerden aanverleden tijd meervoud — aangevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer aan | voerde aan |
| jij | voert aan | voerde aan |
| hij, zij, het | voert aan | voerde aan |
| wij | voeren aan | voerden aan |
| jullie | voeren aan | voerden aan |
| zij | voeren aan | voerden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aangevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| aangevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvoerde | bijzin, verleden tijd |
| aanvoerden | bijzin, verleden tijd |
| aanvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer aan | gebiedende wijs |
| voerde aan | verleden tijd |
| waart aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvoeren aan zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van aanvaren
Vervoeging van aanvoeren
aanvoerenhele werkwoord — voerde aanverleden tijd enkelvoud — voerden aanverleden tijd meervoud — aangevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer aan | voerde aan |
| jij | voert aan | voerde aan |
| hij, zij, het | voert aan | voerde aan |
| wij | voeren aan | voerden aan |
| jullie | voeren aan | voerden aan |
| zij | voeren aan | voerden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| aangevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| aangevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvoerde | bijzin, verleden tijd |
| aanvoerden | bijzin, verleden tijd |
| aanvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer aan | gebiedende wijs |
| voerde aan | verleden tijd |
| waart aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvoeren aan zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanvoer
Herkomst
samenstelling van aan vz en voeren ww
Woordfamilie van aanvoeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevoerd | voltooid deelwoord | aanvoeren |
| aangevoerde | woordvorm | aanvoeren |
| aanvoerde | subordinate-clause, verleden tijd | aanvoeren |
| aanvoerden | subordinate-clause, verleden tijd | aanvoeren |
| aanvoere | with-subordinate-clause | aanvoeren |
| aanvoerend | onvoltooid deelwoord | aanvoeren |
| aanvoerende | woordvorm | aanvoeren |
| aanvoert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvoeren |
| voerde aan | verleden tijd | aanvoeren |
| voerden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanvoeren |
| voere aan | woordvorm | aanvoeren |
| voert aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvoeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvoeren zijn vastgelegd.