Naar de inhoud

aanvoeren

bevel voeren over, leiden

aanvoeren is meer dan één woord

aanvoeren

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈaɱvurə(n)

Betekenis

  1. bevel voeren over, leiden
  2. aanbrengen, naartoe transporteren
  3. bijbrengen als bewijs

Hoe spreek je aanvoeren uit?

/ˈamvurən/

Aanvoeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈamvurən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
v vis
u boek
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanvoeren

aanvoerenhele werkwoord — voerde aanverleden tijd enkelvoud — voerden aanverleden tijd meervoud — aangevoerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik voer aan voerde aan
jij voert aan voerde aan
hij, zij, het voert aan voerde aan
wij voeren aan voerden aan
jullie voeren aan voerden aan
zij voeren aan voerden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te voeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal voeren bijzin, toekomende tijd
aan zou voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zouden voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen voeren bijzin, toekomende tijd
aan zult voeren bijzin, toekomende tijd
aangevoerd verleden tijd, deelwoord
aangevoerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangevoerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangevoerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangevoerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangevoerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangevoerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanvoer bijzin, tegenwoordige tijd
aanvoerde bijzin, verleden tijd
aanvoerden bijzin, verleden tijd
aanvoerend onvoltooid, deelwoord
aanvoert bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangevoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangevoerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangevoerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangevoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangevoerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangevoerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangevoerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangevoerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanvoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voer aan gebiedende wijs
voerde aan verleden tijd
waart aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanvoeren bijzin, toekomende tijd
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanvoeren aan zou(dt) voeren bijzin, voorwaardelijk
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanvoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanvoeren bijzin, toekomende tijd
zult aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van aanvaren

Vervoeging van aanvoeren

aanvoerenhele werkwoord — voerde aanverleden tijd enkelvoud — voerden aanverleden tijd meervoud — aangevoerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik voer aan voerde aan
jij voert aan voerde aan
hij, zij, het voert aan voerde aan
wij voeren aan voerden aan
jullie voeren aan voerden aan
zij voeren aan voerden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te voeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal voeren bijzin, toekomende tijd
aan zou voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zouden voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt voeren bijzin, voorwaardelijk
aan zullen voeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen voeren bijzin, toekomende tijd
aan zult voeren bijzin, toekomende tijd
aangevoerd verleden tijd, deelwoord
aangevoerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangevoerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangevoerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangevoerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangevoerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangevoerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangevoerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanvoer bijzin, tegenwoordige tijd
aanvoerde bijzin, verleden tijd
aanvoerden bijzin, verleden tijd
aanvoerend onvoltooid, deelwoord
aanvoert bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangevoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangevoerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangevoerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangevoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangevoerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangevoerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangevoerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangevoerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangevoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanvoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voer aan gebiedende wijs
voerde aan verleden tijd
waart aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangevoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangevoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanvoeren bijzin, toekomende tijd
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangevoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanvoeren aan zou(dt) voeren bijzin, voorwaardelijk
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangevoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangevoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanvoeren bijzin, voorwaardelijk
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangevoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangevoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanvoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanvoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanvoeren bijzin, toekomende tijd
zult aangevoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aanvoer

Herkomst

samenstelling van aan vz en voeren ww

Woordfamilie van aanvoeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangevoerd voltooid deelwoord aanvoeren
aangevoerde woordvorm aanvoeren
aanvoerde subordinate-clause, verleden tijd aanvoeren
aanvoerden subordinate-clause, verleden tijd aanvoeren
aanvoere with-subordinate-clause aanvoeren
aanvoerend onvoltooid deelwoord aanvoeren
aanvoerende woordvorm aanvoeren
aanvoert subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanvoeren
voerde aan verleden tijd aanvoeren
voerden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanvoeren
voere aan woordvorm aanvoeren
voert aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanvoeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvoeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aanvoeren

Hoe spreek ik aanvoeren uit?
Zo spreek je aanvoeren uit: /ˈaɱvurə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanvoeren?
Aanvoeren is een werkwoord. De betekenis is: bevel voeren over, leiden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanvoeren?
Zo vervoeg je aanvoeren zo: het voltooid deelwoord is aangevoerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanvoeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. V 4
  5. O 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanvoeren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. V 4
  5. O 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanvoeren in het kort

aanvoeren is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanvoeren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanvoeren bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanvoeren: bevel voeren over, leiden
Deel aanvoeren — standaardnederlands.nl