aanvaren
werkwoord ˈaɱvarə(n)Betekenis
- varend botsen op
- varend naderen
- aanbrengen
- (maritiem) binnenlopen
Hoe spreek je aanvaren uit?
/ˈamvarən/
Aanvaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- binnenlopen
Vervoeging van aanvaren
aanvarenhele werkwoord — voer aanverleden tijd enkelvoud — voeren aanverleden tijd meervoud — aangevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar aan | voer aan |
| jij | vaart aan | voer aan |
| hij, zij, het | vaart aan | voer aan |
| wij | varen aan | voeren aan |
| jullie | varen aan | voeren aan |
| zij | varen aan | voeren aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| aangevaren | verleden tijd, deelwoord |
| aangevaren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevaren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevaren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevaren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevaren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevaren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevaren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevaren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvarend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvoer | bijzin, verleden tijd |
| aanvoeren | bijzin, verleden tijd |
| ben aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevaren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevaren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevaren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevaren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevaren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevaren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevaren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar aan | gebiedende wijs |
| voer aan | verleden tijd |
| waart aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevaren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvaren aan zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevaren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en varen ww
Woordfamilie van aanvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevaren | voltooid deelwoord | aanvaren |
| aanvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvaren |
| aanvare | with-subordinate-clause | aanvaren |
| aanvarend | onvoltooid deelwoord | aanvaren |
| aanvarende | woordvorm | aanvaren |
| vaar aan | gebiedende wijs | aanvaren |
| vaart aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvaren |
| vare aan | woordvorm | aanvaren |
| varen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvaren zijn vastgelegd.