Naar de inhoud

aanstaan

bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden

aanstaan

werkwoord ˈanstan

Betekenis

  1. bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden
  2. een beetje openstaan
  3. in werking zijn

Hoe spreek je aanstaan uit?

/ˈanstan/

Aanstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanstan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
t tak
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. in de smaak vallen, een positieve indruk maken intransitive
  2. in werking zijn, ingeschakeld zijn impersonal, intransitive

Vervoeging van aanstaan

aanstaanhele werkwoord — stond aanverleden tijd enkelvoud — stonden aanverleden tijd meervoud — aangestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta aan stond aan
jij staat aan stond aan
hij, zij, het staat aan stond aan
wij staan aan stonden aan
jullie staan aan stonden aan
zij staan aan stonden aan
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal staan bijzin, toekomende tijd
aan zou staan bijzin, voorwaardelijk
aan zouden staan bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
aan zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen staan bijzin, toekomende tijd
aan zult staan bijzin, toekomende tijd
aangestaan verleden tijd, deelwoord
aangestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aansta bijzin, tegenwoordige tijd
aanstaand onvoltooid, deelwoord
aanstaat bijzin, tegenwoordige tijd
aanstond bijzin, verleden tijd
aanstonden bijzin, verleden tijd
aanstondt bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta aan gebiedende wijs
stond aan verleden tijd
te hebben aangestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanstaan bijzin, toekomende tijd
zou aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanstaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanstaan aan zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanstaan bijzin, voorwaardelijk
zullen aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanstaan bijzin, toekomende tijd
zult aangestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanstaan bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanstaan aan zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en staan ww

Woordfamilie van aanstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangestaan voltooid deelwoord aanstaan
aangestane woordvorm aanstaan
aansta subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanstaan
aanstaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanstaan
aanstond subordinate-clause, verleden tijd aanstaan
aanstonden subordinate-clause, verleden tijd aanstaan
sta aan gebiedende wijs aanstaan
staan aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanstaan
staat aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanstaan
stond aan verleden tijd aanstaan
stonden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstaan zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aanstaan

Hoe spreek je aanstaan uit?
De uitspraak van aanstaan is: /ˈanstan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanstaan?
Aanstaan is een werkwoord. Het woord betekent: bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanstaan?
Je vervoegt aanstaan als volgt: het voltooid deelwoord is aangestaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanstaan is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanstaan levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 42 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 10 zonder bonus
  10. 42 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanstaan in het kort

aanstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanstaan zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanstaan bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanstaan: bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden
Deel aanstaan — standaardnederlands.nl