aanstaan
werkwoord ˈanstanBetekenis
- bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden
- een beetje openstaan
- in werking zijn
Hoe spreek je aanstaan uit?
/ˈanstan/
Aanstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in de smaak vallen, een positieve indruk maken intransitive
- in werking zijn, ingeschakeld zijn impersonal, intransitive
Vervoeging van aanstaan
aanstaanhele werkwoord — stond aanverleden tijd enkelvoud — stonden aanverleden tijd meervoud — aangestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta aan | stond aan |
| jij | staat aan | stond aan |
| hij, zij, het | staat aan | stond aan |
| wij | staan aan | stonden aan |
| jullie | staan aan | stonden aan |
| zij | staan aan | stonden aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| aangestaan | verleden tijd, deelwoord |
| aangestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aansta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstaand | onvoltooid, deelwoord |
| aanstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstond | bijzin, verleden tijd |
| aanstonden | bijzin, verleden tijd |
| aanstondt | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta aan | gebiedende wijs |
| stond aan | verleden tijd |
| te hebben aangestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstaan aan zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanstaan aan zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en staan ww
Woordfamilie van aanstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangestaan | voltooid deelwoord | aanstaan |
| aangestane | woordvorm | aanstaan |
| aansta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstaan |
| aanstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstaan |
| aanstond | subordinate-clause, verleden tijd | aanstaan |
| aanstonden | subordinate-clause, verleden tijd | aanstaan |
| sta aan | gebiedende wijs | aanstaan |
| staan aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstaan |
| staat aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstaan |
| stond aan | verleden tijd | aanstaan |
| stonden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstaan zijn vastgelegd.