aanspringen
werkwoord ˈansprɪŋə(n)Betekenis
- (van een verbrandingsmotor) starten
Hoe spreek je aanspringen uit?
/ˈansprɪŋən/
Aanspringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- starten
Vervoeging van aanspringen
aanspringenhele werkwoord — sprong aanverleden tijd enkelvoud — sprongen aanverleden tijd meervoud — aangesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring aan | sprong aan |
| jij | springt aan | sprong aan |
| hij, zij, het | springt aan | sprong aan |
| wij | springen aan | sprongen aan |
| jullie | springen aan | sprongen aan |
| zij | springen aan | sprongen aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| aangesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| aangesprongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangesprongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanspringend | onvoltooid, deelwoord |
| aanspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansprong | bijzin, verleden tijd |
| aansprongen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spring aan | gebiedende wijs |
| sprong aan | verleden tijd |
| te hebben aangesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanspringen aan zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanspringen aan zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan en springen
Woordfamilie van aanspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangesprongen | voltooid deelwoord | aanspringen |
| aanspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanspringen |
| aanspringe | with-subordinate-clause | aanspringen |
| aanspringend | onvoltooid deelwoord | aanspringen |
| aanspringende | woordvorm | aanspringen |
| aanspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanspringen |
| aansprong | subordinate-clause, verleden tijd | aanspringen |
| aansprongen | subordinate-clause, verleden tijd | aanspringen |
| spring aan | gebiedende wijs | aanspringen |
| springe aan | woordvorm | aanspringen |
| springen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanspringen |
| springt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanspringen |
| sprong aan | verleden tijd | aanspringen |
| sprongen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanspringen zijn vastgelegd.