aanslag
zelfstandig naamwoord ˈanslɑxBetekenis
- het aanslaan van iets
- wijze van aanslaan van toetsen
- vordering van de belastingdienst
- terroristische aanval
- korst afgezet vuil
- een voorziening op een rail of as die de bewegingsruimte van een of ander mobiel onderdeel beperkt
- gereed om een klus voortvarend aan te pakken
Hoe spreek je aanslag uit?
/ˈanslɑx/
Aanslag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- op zichzelf staande aanval op een doelwit
- korst van afgezet vuil
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanslagen | meervoud |
| aanslagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanslagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Substantivering van "aanslaan"
Woordfamilie van aanslag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanslagen | meervoud | aanslag |
| aanslagje | verkleinwoord | aanslag |
| aanslagjes | verkleinwoord meervoud | aanslag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanslag zijn vastgelegd.