aanranden
werkwoord ˈanrɑndə(n)Betekenis
- iemand te lijf gaan, fysiek aanvallen
- iemand dwingen tot seksueel contact, zonder penetratie (met de geslachtsdelen of vingers) in de vagina of anus.
- iets (een verdrag, vrijheid, waardigheid) aantasten
Hoe spreek je aanranden uit?
/ˈanrɑndən/
Aanranden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanrandden.
werkwoord
- bij iemand ontuchtige, niet-penetratieve handelingen afdwingen, iemand dwingen tot seksueel contact, zonder penetratie (met de geslachtsdelen of vingers) in de vagina of anus. transitive
Vervoeging van aanranden
aanrandenhele werkwoord — randde aanverleden tijd enkelvoud — randden aanverleden tijd meervoud — aangerandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rand aan | randde aan |
| jij | randt aan | randde aan |
| hij, zij, het | randt aan | randde aan |
| wij | randen aan | randden aan |
| jullie | randen aan | randden aan |
| zij | randen aan | randden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te randen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen randen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal randen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou randen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden randen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt randen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen randen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen randen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult randen | bijzin, toekomende tijd |
| aangerand | verleden tijd, deelwoord |
| aangerand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangerand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangerand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangerand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangerand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangerand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangerand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanrand | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanrandde | bijzin, verleden tijd |
| aanrandden | bijzin, verleden tijd |
| aanrandend | onvoltooid, deelwoord |
| aanrandt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangerand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangerand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangerand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangerand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangerand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangerand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangerand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangerand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangerand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangerand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangerand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangerand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rand aan | gebiedende wijs |
| randde aan | verleden tijd |
| te hebben aangerand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangerand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangerand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangerand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangerand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangerand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangerand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangerand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangerand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanranden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangerand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanranden aan zou(dt) randen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangerand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangerand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangerand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangerand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangerand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangerand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanranden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangerand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘iemand te lijf gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1544 , in de 20e eeuw, ook in de eufemistische betekenis (aanvankelijk met de toevoeging "eerbaarheid") van 'iemand dwingen tot onzedelijke handelingen'. De laatstgenoemde betekenis is tegenwoordig de dominante.
Woordfamilie van aanranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangerand | voltooid deelwoord | aanranden |
| aangerande | woordvorm | aanranden |
| aanrand | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanranden |
| aanrandde | subordinate-clause, verleden tijd | aanranden |
| aanrandden | subordinate-clause, verleden tijd | aanranden |
| aanrande | with-subordinate-clause | aanranden |
| aanrandend | onvoltooid deelwoord | aanranden |
| aanrandende | woordvorm | aanranden |
| aanrandt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanranden |
| rand aan | gebiedende wijs | aanranden |
| randde aan | verleden tijd | aanranden |
| randden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanranden |
| rande aan | woordvorm | aanranden |
| randen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanranden |
| randt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanranden zijn vastgelegd.