Naar de inhoud

aanranden

iemand te lijf gaan, fysiek aanvallen

aanranden

werkwoord ˈanrɑndə(n)

Betekenis

  1. iemand te lijf gaan, fysiek aanvallen
  2. iemand dwingen tot seksueel contact, zonder penetratie (met de geslachtsdelen of vingers) in de vagina of anus.
  3. iets (een verdrag, vrijheid, waardigheid) aantasten

Hoe spreek je aanranden uit?

/ˈanrɑndən/

Aanranden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrɑndən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
ɑ bad
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aanrandden.

werkwoord

  1. bij iemand ontuchtige, niet-penetratieve handelingen afdwingen, iemand dwingen tot seksueel contact, zonder penetratie (met de geslachtsdelen of vingers) in de vagina of anus. transitive

Vervoeging van aanranden

aanrandenhele werkwoord — randde aanverleden tijd enkelvoud — randden aanverleden tijd meervoud — aangerandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rand aan randde aan
jij randt aan randde aan
hij, zij, het randt aan randde aan
wij randen aan randden aan
jullie randen aan randden aan
zij randen aan randden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te randen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen randen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal randen bijzin, toekomende tijd
aan zou randen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden randen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt randen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen randen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen randen bijzin, toekomende tijd
aan zult randen bijzin, toekomende tijd
aangerand verleden tijd, deelwoord
aangerand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangerand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangerand te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangerand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangerand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangerand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangerand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangerand zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangerand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangerand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanrand bijzin, tegenwoordige tijd
aanrandde bijzin, verleden tijd
aanrandden bijzin, verleden tijd
aanrandend onvoltooid, deelwoord
aanrandt bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangerand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangerand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangerand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangerand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangerand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangerand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangerand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangerand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangerand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangerand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangerand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangerand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangerand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rand aan gebiedende wijs
randde aan verleden tijd
te hebben aangerand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangerand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangerand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangerand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangerand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangerand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangerand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangerand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangerand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangerand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanranden bijzin, toekomende tijd
zijn aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangerand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanranden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanranden aan zou(dt) randen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanranden bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangerand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangerand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanranden bijzin, voorwaardelijk
zullen aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangerand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangerand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangerand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangerand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanranden bijzin, toekomende tijd
zult aangerand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘iemand te lijf gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1544 , in de 20e eeuw, ook in de eufemistische betekenis (aanvankelijk met de toevoeging "eerbaarheid") van 'iemand dwingen tot onzedelijke handelingen'. De laatstgenoemde betekenis is tegenwoordig de dominante.

Woordfamilie van aanranden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangerand voltooid deelwoord aanranden
aangerande woordvorm aanranden
aanrand subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanranden
aanrandde subordinate-clause, verleden tijd aanranden
aanrandden subordinate-clause, verleden tijd aanranden
aanrande with-subordinate-clause aanranden
aanrandend onvoltooid deelwoord aanranden
aanrandende woordvorm aanranden
aanrandt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanranden
rand aan gebiedende wijs aanranden
randde aan verleden tijd aanranden
randden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanranden
rande aan woordvorm aanranden
randen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanranden
randt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanranden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanranden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aanranden

Hoe spreek ik aanranden uit?
Zo spreek je aanranden uit: /ˈanrɑndə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanranden?
Aanranden is een werkwoord. De betekenis is: iemand te lijf gaan, fysiek aanvallen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanranden?
Zo vervoeg je aanranden zo: het voltooid deelwoord is aangerand. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanranden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanranden levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 45 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 11 zonder bonus
  11. 45 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanranden in het kort

aanranden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanranden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanranden bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanranden: iemand te lijf gaan, fysiek aanvallen
Deel aanranden — standaardnederlands.nl