Naar de inhoud

vergrijpen

zich ~ aan: iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen

vergrijpen is meer dan één woord

vergrijpen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. zich ~ aan: iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen

Vervoeging van vergrijpen

vergrijpenhele werkwoord — vergreepverleden tijd enkelvoud — vergrepenverleden tijd meervoud — vergrepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vergrijp vergreep
jij vergrijpt vergreep
hij, zij, het vergrijpt vergreep
wij vergrijpen vergrepen
jullie vergrijpen vergrepen
zij vergrijpen vergrepen
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vergrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vergrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vergrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vergrepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vergrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vergrepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vergrepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergrepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergrepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vergrepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vergrijpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vergrijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergreep verleden tijd
vergreep je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergreep me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergreep u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vergreep u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergreep zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergreep zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vergreep zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergrepen verleden tijd, deelwoord
vergrepen je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergrepen ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vergrepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergrepen zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
vergrepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergrijp gebiedende wijs
vergrijp me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergrijp u/je , vergrijpt je gebiedende wijs
vergrijpe aanvoegende wijs
vergrijpe zich aanvoegende wijs
vergrijpen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergrijpen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergrijpen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergrijpend onvoltooid, deelwoord
vergrijpt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergrijpt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergrijpt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergrijpt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergrijpt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergrijpt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zal me vergrijpen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich vergrijpen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vergrijpen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vergrepen hebben verleden tijd
zich vergrijpend onvoltooid, deelwoord
zou vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt vergrepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je vergrijpen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vergrijpen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vergrijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich vergrijpen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u vergrijpen tweede persoon
zult u vergrijpen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult vergrepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vergrijpen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult zich/u vergrijpen tweede persoon
zult zich/u vergrijpen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord vergrijp

Herkomst

afgeleid van grijpen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van vergrijpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vergreep verleden tijd vergrijpen
vergrepen voltooid deelwoord vergrijpen
vergrijpe aanvoegende wijs vergrijpen
vergrijpend onvoltooid deelwoord vergrijpen
vergrijpende woordvorm vergrijpen
vergrijpt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vergrijpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergrijpen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over vergrijpen

Wat is de betekenis van vergrijpen?
Vergrijpen is een werkwoord. De betekenis is: zich ~ aan: iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen.
Hoe vervoeg ik vergrijpen?
Zo vervoeg je vergrijpen zo: de tegenwoordige tijd is vergrijp, de verleden tijd is vergreep en het voltooid deelwoord is vergrepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vergrijpen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. I 1
  7. J 4
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vergrijpen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. I 2
  7. J 4
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vergrijpen in het kort

vergrijpen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van vergrijpen staan er 59 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vergrijpen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vergrijpen: zich ~ aan: iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
Deel vergrijpen — standaardnederlands.nl