zwijmen
werkwoordBetekenis
- het bewustzijn geheel of gedeeltelijk verliezen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van zwijmen
zwijmenhele werkwoord — zwijmdeverleden tijd enkelvoud — zwijmdenverleden tijd meervoud — gezwijmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwijm | zwijmde |
| jij | zwijmt | zwijmde |
| hij, zij, het | zwijmt | zwijmde |
| wij | zwijmen | zwijmden |
| jullie | zwijmen | zwijmden |
| zij | zwijmen | zwijmden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwijmd | verleden tijd, deelwoord |
| gezwijmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwijmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwijmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwijm | gebiedende wijs |
| zwijmde | verleden tijd |
| zwijme | aanvoegende wijs |
| zwijmend | onvoltooid, deelwoord |
Herkomst
In de betekenis van ‘in zwijm vallen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1376
Woordfamilie van zwijmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwijmd | voltooid deelwoord | zwijmen |
| zwijmde | verleden tijd | zwijmen |
| zwijmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwijmen |
| zwijme | aanvoegende wijs | zwijmen |
| zwijmend | onvoltooid deelwoord | zwijmen |
| zwijmende | woordvorm | zwijmen |
| zwijmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwijmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwijmen zijn vastgelegd.