zodensnijder
zelfstandig naamwoord ˈzodə(n)ˌsnɛidərBetekenis
- een landbouwmachine die graszoden snijdt
Hoe spreek je zodensnijder uit?
/ˈzodənˌsnɛidər/
Zodensnijder bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- landbouwmachine die rechthoekige stukken met gras begroeide grond afsteekt
- landarbeider die rechthoekige stukken met gras begroeide grond afsteekt historical
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zodensnijders | meervoud |
| zodensnijdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zodensnijdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zode zn en snijder zn met het invoegsel -n-
Woordfamilie van zodensnijder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zodensnijders | meervoud | zodensnijder |
| zodensnijdertje | verkleinwoord | zodensnijder |
| zodensnijdertjes | verkleinwoord meervoud | zodensnijder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zodensnijder zijn vastgelegd.