zondagsrijder
zelfstandig naamwoord /ˈzɔndɑxsˌrɛɪdər/Betekenis
- weggebruiker die een vervoermiddel (voornamelijk auto, maar ook bijvoorbeeld paard, bromfiets) met een kennelijk zo gebrekkige rijtechniek gebruikt, dat het erop lijkt alsof hij/zij alleen op vrije dagen voor het plezier wel eens een rustig ritje maakt en verder geen rijervaring in het wegverkeer opbouwt
Hoe spreek je zondagsrijder uit?
/ˈzɔndɑxsˌrɛidər/
Zondagsrijder bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| s | sok |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zondagsrijders | meervoud |
| zondagsrijdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zondagsrijdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zondag en rijder met het invoegsel -s- . De benaming insinueert dat zo'n chauffeur weinig rijervaring heeft, omdat hij/zij enkel zou rijden op vrije dagen.
Woordfamilie van zondagsrijder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zondagsrijders | meervoud | zondagsrijder |
| zondagsrijdertje | verkleinwoord | zondagsrijder |
| zondagsrijdertjes | verkleinwoord meervoud | zondagsrijder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondagsrijder zijn vastgelegd.