zekeren
werkwoord ˈzɛkərə(n)Betekenis
- het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
Hoe spreek je zekeren uit?
/ˈzɛkərən/
Zekeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zekeren
zekerenhele werkwoord — zekerdeverleden tijd enkelvoud — zekerdenverleden tijd meervoud — gezekerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeker | zekerde |
| jij | zekert | zekerde |
| hij, zij, het | zekert | zekerde |
| wij | zekeren | zekerden |
| jullie | zekeren | zekerden |
| zij | zekeren | zekerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezekerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezekerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezekerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezekerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezekerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezekerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezekerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezekerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezekerd | verleden tijd, deelwoord |
| gezekerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezekerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezekerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezekerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezekerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezekerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezekerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezekerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezekerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezekerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zekeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeker | gebiedende wijs |
| zekerde | verleden tijd |
| zekere | aanvoegende wijs |
| zekerend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zeker ?? met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zekeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezekerd | voltooid deelwoord | zekeren |
| gezekerde | woordvorm | zekeren |
| zekerde | verleden tijd | zekeren |
| zekerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zekeren |
| zekerend | onvoltooid deelwoord | zekeren |
| zekerende | woordvorm | zekeren |
| zekert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zekeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zekeren zijn vastgelegd.