Naar de inhoud

ontwortelen

losrukken uit de grond (van planten)

ontwortelen

werkwoord ɔntˈwɔrtələ(n)

Betekenis

  1. losrukken uit de grond (van planten)
  2. losmaken van basis of bestaansgrond, het voortbestaan onmogelijk maken
  3. geen omgeving meer hebben waar je je thuisvoelt

Hoe spreek je ontwortelen uit?

/ɔntˈwɔrtələn/

Ontwortelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈwɔrtələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
w quiz
r rood
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontwortelen

ontwortelenhele werkwoord — ontworteldeverleden tijd enkelvoud — ontworteldenverleden tijd meervoud — ontworteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontwortel ontwortelde
jij ontwortelt ontwortelde
hij, zij, het ontwortelt ontwortelde
wij ontwortelen ontwortelden
jullie ontwortelen ontwortelden
zij ontwortelen ontwortelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontworteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontworteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontworteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontworteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontworteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontworteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontworteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontworteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontworteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontworteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontworteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontworteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontworteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontwortel gebiedende wijs
ontworteld verleden tijd, deelwoord
ontworteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontworteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontworteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontworteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontworteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontworteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontworteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontworteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontworteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontworteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontwortelde verleden tijd
ontwortele aanvoegende wijs
ontwortelend onvoltooid, deelwoord
te hebben ontworteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontwortelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontwortelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontworteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontworteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontworteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontworteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontworteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontworteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontworteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontworteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt ontworteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontworteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontwortelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult ontworteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontworteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontworteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontwortelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

van Middelnederlands ontwortelen, afgeleid van wortelen met het voorvoegsel ont-, cognaat met Duits entwurzeln

Woordfamilie van ontwortelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontwortel gebiedende wijs ontwortelen
ontwortelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontwortelen
ontwortele aanvoegende wijs ontwortelen
ontwortelend onvoltooid deelwoord ontwortelen
ontwortelende woordvorm ontwortelen
ontwortelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontwortelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontwortelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontwortelen

Hoe spreek ik ontwortelen uit?
Zo spreek je ontwortelen uit: /ɔntˈwɔrtələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van ontwortelen?
Ontwortelen is een werkwoord. De betekenis is: losrukken uit de grond (van planten). In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontwortelen?
Zo vervoeg je ontwortelen zo: de tegenwoordige tijd is ontwortel, de verleden tijd is ontwortelde en het voltooid deelwoord is ontworteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontwortelen?

In dit woordenboek rijmen 3 woorden op -ortelen op ontwortelen, zoals wortelen, mortelen en portelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontwortelen, uitspraak ɔntˈwɔrtələn, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wortelen 3
mortelen 3
portelen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontwortelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. W 5
  5. O 1
  6. R 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontwortelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. W 5
  5. O 1
  6. R 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontwortelen in het kort

ontwortelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontwortelen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontwortelen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontwortelen: losrukken uit de grond (van planten)
Deel ontwortelen — standaardnederlands.nl