wervel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een bot van de wervelkolom
- draaiende beweging in een gas of vloeistof
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wervels | meervoud |
| werveltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| werveltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wervelen
- gebiedende wijs van wervelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wervelen
Vervoeging van wervel
wervelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘beentje van ruggengraat’ voor het eerst aangetroffen in 1568
Woordfamilie van wervel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wervels | meervoud | wervel |
| werveltje | verkleinwoord | wervel |
| werveltjes | verkleinwoord meervoud | wervel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wervel zijn vastgelegd.