wervelen
werkwoordBetekenis
- zich al draaiend ergens heen bewegen
- overdrachtelijk: zich snel voortbewegen
- een draaiende beweging maken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wervelen
wervelenhele werkwoord — werveldeverleden tijd enkelvoud — werveldenverleden tijd meervoud — gewerveldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wervel | wervelde |
| jij | wervelt | wervelde |
| hij, zij, het | wervelt | wervelde |
| wij | wervelen | wervelden |
| jullie | wervelen | wervelden |
| zij | wervelen | wervelden |
Alle 28 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewerveld | verleden tijd, deelwoord |
| gewerveld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewerveld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gewerveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te hebben/zijn gewerveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wervelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wervelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wervel | gebiedende wijs |
| wervelde | verleden tijd |
| wervele | aanvoegende wijs |
| wervelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewerveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen wervelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult wervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ronddraaien’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van wervelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wervelde | verleden tijd | wervelen |
| wervelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wervelen |
| wervele | aanvoegende wijs | wervelen |
| wervelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wervelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wervelen zijn vastgelegd.