Naar de inhoud

wegsluipen

ongemerkt en behoedzaam weggaan

wegsluipen

werkwoord

Betekenis

  1. ongemerkt en behoedzaam weggaan
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van wegsluipen

wegsluipenhele werkwoord — sloop wegverleden tijd enkelvoud — slopen wegverleden tijd meervoud — weggeslopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sluip weg sloop weg
jij sluipt weg sloop weg
hij, zij, het sluipt weg sloop weg
wij sluipen weg slopen weg
jullie sluipen weg slopen weg
zij sluipen weg slopen weg
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sloop weg verleden tijd
sluip weg gebiedende wijs
te zijn weggeslopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wegsluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weggeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggeslopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggeslopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggeslopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggeslopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggeslopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te sluipen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen sluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal sluipen bijzin, toekomende tijd
weg zou sluipen bijzin, voorwaardelijk
weg zouden sluipen bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt sluipen bijzin, voorwaardelijk
weg zullen sluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen sluipen bijzin, toekomende tijd
weg zult sluipen bijzin, toekomende tijd
weggeslopen verleden tijd, deelwoord
weggeslopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggeslopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wegsloop bijzin, verleden tijd
wegsloopt bijzin, verleden tijd
wegslopen bijzin, verleden tijd
wegsluip bijzin, tegenwoordige tijd
wegsluipend onvoltooid, deelwoord
wegsluipt bijzin, tegenwoordige tijd
zal weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wegsluipen bijzin, toekomende tijd
zijn weggeslopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggeslopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wegsluipen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) wegsluipen weg zou(dt) sluipen bijzin, voorwaardelijk
zouden weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wegsluipen bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggeslopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wegsluipen bijzin, voorwaardelijk
zullen weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wegsluipen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wegsluipen bijzin, toekomende tijd
zult weggeslopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wegsluipen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult wegsluipen bijzin, toekomende tijd
zult/zal wegsluipen weg zult/zal sluipen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van weg bw en sluipen

Woordfamilie van wegsluipen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sloop weg verleden tijd wegsluipen
slopen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wegsluipen
sluip weg gebiedende wijs wegsluipen
sluipe weg woordvorm wegsluipen
sluipen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wegsluipen
sluipt weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wegsluipen
weggeslopen voltooid deelwoord wegsluipen
wegsloop subordinate-clause, verleden tijd wegsluipen
wegslopen subordinate-clause, verleden tijd wegsluipen
wegsluip subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegsluipen
wegsluipe with-subordinate-clause wegsluipen
wegsluipend onvoltooid deelwoord wegsluipen
wegsluipende woordvorm wegsluipen
wegsluipt subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegsluipen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegsluipen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wegsluipen

Wat is de betekenis van wegsluipen?
Wegsluipen is een werkwoord. De betekenis is: ongemerkt en behoedzaam weggaan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wegsluipen?
Zo vervoeg je wegsluipen zo: het voltooid deelwoord is weggeslopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wegsluipen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. S 2
  5. L 3
  6. U 4
  7. I 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wegsluipen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. S 2
  5. L 3
  6. U 2
  7. I 2
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wegsluipen in het kort

wegsluipen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wegsluipen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wegsluipen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wegsluipen: ongemerkt en behoedzaam weggaan
Deel wegsluipen — standaardnederlands.nl