wegdoezelen
werkwoordBetekenis
- in slaap dreigen te vallen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wegdoezelen
wegdoezelenhele werkwoord — doezelde wegverleden tijd enkelvoud — doezelden wegverleden tijd meervoud — weggedoezeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doezel weg | doezelde weg |
| jij | doezelt weg | doezelde weg |
| hij, zij, het | doezelt weg | doezelde weg |
| wij | doezelen weg | doezelden weg |
| jullie | doezelen weg | doezelden weg |
| zij | doezelen weg | doezelden weg |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| doezel weg | gebiedende wijs |
| doezelde weg | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn weggedoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegdoezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggedoezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal doezelen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou doezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden doezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt doezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen doezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen doezelen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult doezelen | bijzin, toekomende tijd |
| wegdoezel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegdoezelde | bijzin, verleden tijd |
| wegdoezelden | bijzin, verleden tijd |
| wegdoezelend | onvoltooid, deelwoord |
| wegdoezelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weggedoezeld | verleden tijd, deelwoord |
| weggedoezeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggedoezeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegdoezelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weggedoezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggedoezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegdoezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) wegdoezelen weg zou(dt) doezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegdoezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegdoezelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggedoezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen wegdoezelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegdoezelen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult wegdoezelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegdoezelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggedoezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal wegdoezelen weg zult/zal doezelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en doezelen
Woordfamilie van wegdoezelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doezel weg | gebiedende wijs | wegdoezelen |
| doezelde weg | verleden tijd | wegdoezelen |
| doezelden weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegdoezelen |
| doezele weg | woordvorm | wegdoezelen |
| doezelen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegdoezelen |
| doezelt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegdoezelen |
| wegdoezel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegdoezelen |
| wegdoezelde | subordinate-clause, verleden tijd | wegdoezelen |
| wegdoezelden | subordinate-clause, verleden tijd | wegdoezelen |
| wegdoezele | with-subordinate-clause | wegdoezelen |
| wegdoezelend | onvoltooid deelwoord | wegdoezelen |
| wegdoezelende | woordvorm | wegdoezelen |
| wegdoezelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegdoezelen |
| weggedoezeld | voltooid deelwoord | wegdoezelen |
| weggedoezelde | woordvorm | wegdoezelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegdoezelen zijn vastgelegd.