wegblijven
werkwoord /'wɛxblɛivə(n)/Betekenis
- niet daar zijn waar je verwacht wordt
Hoe spreek je wegblijven uit?
/ˈwɛxblɛivən/
Wegblijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| b | bak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wegblijven
wegblijvenhele werkwoord — bleef wegverleden tijd enkelvoud — bleven wegverleden tijd meervoud — weggeblevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijf weg | bleef weg |
| jij | blijft weg | bleef weg |
| hij, zij, het | blijft weg | bleef weg |
| wij | blijven weg | bleven weg |
| jullie | blijven weg | bleven weg |
| zij | blijven weg | bleven weg |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bleef weg | verleden tijd |
| blijf weg | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn weggebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggebleven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggebleven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggebleven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te blijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen blijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen blijven | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult blijven | bijzin, toekomende tijd |
| wegbleef | bijzin, verleden tijd |
| wegbleven | bijzin, verleden tijd |
| wegblijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegblijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegblijvend | onvoltooid, deelwoord |
| weggebleven | verleden tijd, deelwoord |
| weggebleven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggebleven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zal weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weggebleven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggebleven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) wegblijven weg zou(dt) blijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegblijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggebleven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen wegblijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult wegblijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegblijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggebleven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal wegblijven weg zult/zal blijven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en blijven
Woordfamilie van wegblijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bleef weg | verleden tijd | wegblijven |
| bleven weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegblijven |
| blijf weg | gebiedende wijs | wegblijven |
| blijft weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegblijven |
| blijve weg | woordvorm | wegblijven |
| blijven weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegblijven |
| wegbleef | subordinate-clause, verleden tijd | wegblijven |
| wegbleven | subordinate-clause, verleden tijd | wegblijven |
| wegblijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegblijven |
| wegblijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegblijven |
| wegblijve | with-subordinate-clause | wegblijven |
| wegblijvend | onvoltooid deelwoord | wegblijven |
| wegblijvende | woordvorm | wegblijven |
| weggebleven | voltooid deelwoord | wegblijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegblijven zijn vastgelegd.